Rodie van Drongelen

columns, geschreven vanaf de zijlijn

← Alle columns

De kiezer mag stemmen, maar wie luistert er eigenlijk?

23 okt 2026

Tekstgrootte

Nederland noemt zichzelf graag een democratisch land. Een land waarin de burger bepaalt, waarin iedere stem telt en waarin vrijheid en tolerantie hoog in het vaandel staan. Politici vertellen ons voortdurend hoe belangrijk onze democratische rechtsstaat is. Maar hoe langer ik naar de Nederlandse politiek kijk, hoe vaker ik me afvraag hoeveel daadwerkelijke invloed de gewone burger nog heeft. Want stemmen mogen we allemaal, maar wat gebeurt er vervolgens met die stem?

Neem Papendrecht. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2026 werd de PVV vanuit het niets de grootste partij, met zes van de 23 zetels. Een behoorlijk duidelijk signaal van een flinke groep inwoners die kennelijk een andere politieke koers wil. Aanvankelijk leek er ook een coalitie te komen met de PVV, VVD en Onafhankelijk Papendrecht. Die samenwerking strandde uiteindelijk doordat een raadslid zich afsplitste en de meerderheid verdween. Vervolgens werd een nieuwe combinatie onderzocht, bestaande uit maar liefst zes andere partijen: VVD, CDA, PRO, D66, ChristenUnie en PAB. Samen precies twaalf zetels. De grootste partij staat daarmee alsnog buitenspel.

Nu weet ik ook wel dat de grootste partij niet automatisch het recht heeft om te regeren. Zo werkt ons politieke systeem nu eenmaal niet. Een meerderheid van twaalf zetels is democratisch net zo geldig als iedere andere meerderheid. Maar dat neemt mijn verbazing niet weg. Want welke boodschap geef je aan de inwoners die bewust voor een andere koers hebben gekozen? Zeker wanneer er uiteindelijk zes partijen nodig zijn om een meerderheid zonder de verkiezingswinnaar te vormen. Juridisch kan het allemaal kloppen, maar daarmee is de vraag of het politiek wenselijk is nog niet beantwoord.

En Papendrecht staat hierin niet op zichzelf. Kijk naar Forum voor Democratie, de PVV en de Duitse AfD. Drie verschillende partijen, ieder met hun eigen standpunten en achterban, maar ook met een geschiedenis van stevige politieke weerstand. In Duitsland wordt zelfs gesproken over een mogelijk verbod op de AfD. Voorstanders zien daarin een manier om de democratische rechtsorde te beschermen. Tegenstanders vrezen juist dat politieke oppositie langs juridische weg wordt uitgeschakeld. Dat zijn serieuze vragen die niet met een paar beschuldigingen of etiketten kunnen worden afgedaan.

Ook in Nederland speelt die discussie. En daarbij valt vooral D66 op. Een partij die democratie nota bene in haar naam heeft staan, maar die in 2022 voorstelde om het makkelijker te maken politieke partijen te verbieden. Toenmalig fractievoorzitter Jan Paternotte noemde daarbij expliciet Forum voor Democratie. D66 stelt dat zulke maatregelen bedoeld zijn om de rechtsstaat te beschermen en dat een rechter uiteindelijk over een verbod moet beslissen. Daarnaast wil D66 politieke partijen verplichten leden inspraak te geven, wat vooral gevolgen zou hebben voor de huidige partijstructuur van de PVV. Dat is geen partijverbod, maar het roept wel een principiële vraag op: hoever moet de overheid zich bemoeien met de manier waarop politieke partijen zich organiseren? Ik vind dat juist van een partij die democratie zo hoog in het vaandel heeft staan, verwacht mag worden dat zij uiterst terughoudend is met maatregelen die de politieke vrijheid kunnen beperken.

Het opvallende vind ik dat juist politici die voortdurend spreken over verdraagzaamheid en een open samenleving, soms bijzonder weinig ruimte lijken te laten voor opvattingen die sterk afwijken van hun eigen overtuigingen. Natuurlijk mag je een andere partij verafschuwen. Natuurlijk mag je weigeren ermee samen te werken. Maar wanneer de politieke discussie voornamelijk draait om wie wel en niet mag meedoen, vraag ik me af wanneer we nog eens over de werkelijke problemen van het land gaan praten.

En dan hebben we het nog niet eens gehad over de invloed van burgers buiten verkiezingstijd. Herinner je het referendum over het associatieverdrag met Oekraïne in 2016? Een meerderheid van de opgekomen kiezers stemde tegen. Uiteindelijk ging het verdrag, na aanvullende afspraken, toch door. Het referendum was raadgevend, dus juridisch mocht dat. Maar vervolgens werd in 2018 het raadgevend referendum helemaal afgeschaft. Ik vind dat een merkwaardige ontwikkeling voor een land dat zegt de burger zo belangrijk te vinden. Waarom zou de bevolking zich slechts eens in de vier jaar rechtstreeks over politieke keuzes mogen uitspreken?

En waarom kiezen wij in Nederland eigenlijk onze eigen burgemeester niet? We mogen stemmen voor de gemeenteraad, maar niet rechtstreeks voor degene die als burgemeester aan het hoofd van het gemeentebestuur staat. De gemeenteraad doet een aanbeveling, waarna de benoeming officieel door de Kroon plaatsvindt. Voorstanders van dit systeem wijzen op de onafhankelijke positie van de burgemeester. Dat is een begrijpelijk argument. Maar waarom zou de bevolking niet zelf mogen bepalen wie haar gemeente bestuurlijk vertegenwoordigt? Waarom vertrouwen we de burger wel de keuze voor een gemeenteraad toe, maar niet die voor een burgemeester?

Hetzelfde geldt voor referenda over belangrijke maatschappelijke onderwerpen. Waarom zouden burgers niet vaker rechtstreeks mogen beslissen over zaken die hun dagelijks leven raken? Uiteraard vraagt directe democratie om duidelijke regels, goede informatie en bescherming van grondrechten. Maar het idee dat burgers onvoldoende in staat zouden zijn om over belangrijke kwesties mee te beslissen, vind ik moeilijk te rijmen met het vertrouwen dat we iedere verkiezingsdag zogenaamd in diezelfde burger stellen.

Ondertussen groeit bij veel mensen het gevoel dat de politieke wereld steeds verder van hun dagelijkse werkelijkheid af komt te staan. Mensen maken zich zorgen over hun koopkracht, hun woning, de immigratie, de gezondheidszorg en de toekomst van hun kinderen. Ze stemmen op partijen waarvan ze hopen dat die iets veranderen. Vervolgens zien ze hoe politici maandenlang onderhandelen, compromissen sluiten en soms uiteindelijk een bestuur vormen dat nauwelijks lijkt op de verandering waarop zij hadden gehoopt.

Dat is voor een deel nu eenmaal de werkelijkheid van een parlementaire democratie. Niemand krijgt automatisch zijn zin en compromissen zijn onvermijdelijk. Maar dat mag nooit een excuus worden om de afstand tussen politiek en burger als vanzelfsprekend te beschouwen. Democratie moet immers meer betekenen dan het netjes volgen van procedures. Zij moet ook vertrouwen wekken. Burgers moeten het gevoel hebben dat hun stem ertoe doet, ook wanneer hun favoriete partij uiteindelijk niet aan het bestuur deelneemt.

Wat mij betreft zouden politici zich veel vaker moeten afvragen waarom zoveel mensen hun vertrouwen in traditionele partijen verliezen. Waarom kiezen burgers voor nieuwe partijen of politieke bewegingen die zich nadrukkelijk tegen de gevestigde orde afzetten? Misschien zit daar wel een boodschap achter waar de gevestigde politiek iets van kan leren. Niet door iedere kritiek onmiddellijk over te nemen, maar simpelweg door werkelijk te luisteren.

Thierry Baudet stelde gisteren op X de vraag wat begrippen als democratie, rechtsstaat, tolerantie en open samenleving nog waard zijn. Die vraag verdient wat mij betreft een serieus antwoord. Niet omdat Baudet altijd gelijk zou hebben, of omdat FVD, PVV of AfD boven kritiek verheven zouden zijn. Integendeel. Juist alle partijen moeten kritisch gevolgd kunnen worden. Maar diezelfde kritische blik moet ook gericht zijn op de partijen die zichzelf graag presenteren als de hoeders van onze democratie.

Misschien moeten we eens wat minder praten over het beschermen van de democratie en wat meer over het versterken ervan. Door burgers meer directe invloed te geven. Door eerlijker te discussiëren over referenda en gekozen burgemeesters. Door politieke tegenstanders met argumenten te bestrijden in plaats van uitsluitend met uitsluiting. En vooral door te accepteren dat een verkiezingsuitslag soms een boodschap bevat die de gevestigde politiek liever niet hoort.

Democratie betekent niet dat de grootste partij altijd moet regeren. Maar het betekent evenmin dat een meerderheid in het parlement of de gemeenteraad automatisch alle maatschappelijke vragen over vertegenwoordiging en vertrouwen heeft opgelost.

De vraag is niet alleen of de politiek zich aan de democratische spelregels houdt. De vraag is ook of de burger zich nog daadwerkelijk vertegenwoordigd voelt.

Want een democratie waarin de burger wel mag stemmen, maar steeds minder vertrouwen heeft dat er werkelijk naar hem wordt geluisterd, heeft een probleem dat geen enkele coalitieonderhandeling kan oplossen.